De jacht op UCI-punten

Theo Maucher

Je hebt het misschien al gelezen: Theo Bos trekt eind deze maand naar Melbourne om deel te nemen aan de International Track Series. Mocht je je afvragen waarom hij dat doet, net nadat hij een keirin-event in Japan heeft afgerond: UCI-punten, een beetje achtergrond…

Eigenlijk is het heel eenvoudig: hij heeft punten nodig. UCI-punten, iets waar alle baanwielrenners naar op zoek zijn. We kennen rangschikkingen uit het wegwielrennen, maar de UCI-rangschikking voor de baan is nog een ander paar mouwen. Door het beperkt aantal renners per discipline, moet je namelijk startrecht hebben. 

Er bestaan aparte rangschikkingen voor individuele renners in alle disciplines, met daarbij in grote lijnen drie soorten wedstrijden. Tijdens Wereld- en Europese kampioenschappen en Wereldbekerwedstrijden kun je het meeste punten verdienen, in wedstrijden van klasse 1 en klasse twee verdien je er minder. De drie beste resultaten van een renner in Wereldbekerwedstrijden, de drie beste in klasse 1 en de drie beste in klasse 2 tellen mee, samen met de resultaten op kampioenschappen. De rangschikking wordt continu geüpdatet met de samengetelde punten van de laatste 365 dagen.

Er bestaat ook zoiets als een rangschikking per land voor elke discipline, berekend op basis van ofwel de drie best geplaatste renners ofwel de drie beste resultaten in teamwedstrijden. Voor deze rangschikkingen heb je dus al een rekenmachine nodig, maar de kwalificaties voor Wereldbekerwedstrijden en het WK maken het nog complexer.

Tijdens Wereldbekerwedstrijden strijden landen- én ploegenteams tegen elkaar. Om aan zo’n wedstrijd deel te nemen (per land of team), moet je voldoen aan de opgelegde quota (45 voor de sprint en 36 voor de keirin bijvoorbeeld) die worden opgesteld aan het begin van het seizoen. Het maximum aantal deelnemers per team zijn twee renners in de sprint en eentje in de keirin.

Vorig jaar had Nederland twee mannen in de sprint met Jeff Hoogland en Theo Bos, en één in de keirin met Matthijs Büchli. Als er ook ploegenteams zijn, is de totale limiet voor elk land vier sprinters en drie keirinrenners. Ploegenteams kunnen dus de deelnamerechten van een land verhogen.

Bij een WK is het aantal startplaatsen kleiner (30 sprint, 24 keirin). In de sprint krijgen de eerste tien in de landenrangschiking twee plaatsen; de overige tien plaatsen worden verdeeld over de tien beste renners in de individuele rangschikking, uiteraard van de niet-gekwalificeerde landen. Bij keirin zijn het er respectievelijk acht en acht. Dat aantal wordt beslist ergens in januari na de laatste Wereldbekerwedstrijd. De plaatsen gaan naar het deelnemende team, dat op zijn beurt de deelnemers selecteert. Alleen Wereld- en Europese kampioenen zijn verzekerd van deelname.

Vandaag ziet het er niet zo goed uit voor Nederland in bepaalde disciplines, al kan er nog veel veranderen voor het januari is. En ook: er is misschien een klein achterpoortje. Organisator van het WK in 2018 is tenslotte… Apeldoorn.

Voor de Olympische Spelen is er trouwens nog een heel ander system. Maar om het niet nog moeilijker te maken, houd ik dat voor een andere keer.
Besluit: wie aan baanwielrennen doet, moet niet alleen snel zijn, maar is ook maar beter goed in wiskunde!