Wat ik heb geleerd in de voorbereiding op het NCK in Dronten

Lucas Bourdrez

Aanstaande zaterdag is het Nederlands Clubkampioenschap (NCK) in Dronten. Tijdens twee clubdagen deze zomer heb ik me samen met vijf andere leden geplaatst voor het BEAT tijdritteam. Wij starten in het bedrijvenveld en rijden een tijdrit van 35 kilometer door de Flevopolder.

Helaas lukte het niet om met z’n zessen te trainen, maar we hebben wel één keer met vier van de zes getraind. Dit zijn de negen lessen die ik heb geleerd in de voorbereiding:

1. Tijdrijden is gaaf! 
Voor mij is dit een nieuwe ervaring. Hard fietsen is niet nieuw voor mij en kop over kop rijden ook niet. Maar in een echte ploegentijdrit(training) ga je al snel erg hard! Dat geeft echt een kick.

2. Ploegentijdrijden is echt een specialisme.
Tijdens het WK wielrennen kon je duidelijk de verschillen zien tussen de ploegen en hoe goed ze samen rijden. Tijdens de training merkten we ook dat we op ontzettend veel punten kunnen verbeteren als ploeg. Het werd dus ook snel duidelijk dat we voor een topprestatie niet genoeg samen hebben kunnen trainen, ook al kunnen we individiueel hard fietsen.

3. Een tijdritfiets is meer dan een racefiets met een ligstuur.
Een ligstuur is echt een must, dus ik heb een opzetstuurtje gekocht voor op het gewone stuur van mijn racefiets. Ik had nog nooit met een ligstuur gefietst, maar het maakt echt veel verschil. Wel merkte ik direct dat je de gehele afstelling van je fiets moet aanpassen. In mijn geval: zadel omhoog en naar voren, stuur omlaag en veel gefriemel met de afstellingen van mijn opzetstuur.

4. Een ligstuur heeft geen remmen.
Als je met 48 km/uur in iemand z’n wiel zit, is het wel een eng idee dat je niet kan remmen. Ik vind het sturen met een ligstuur sowieso al wat lastiger, maar in een treintje is het extra spannend. De renner die op kop rijdt heeft ook een grotere verantwoordelijkheid om een rechte lijn te rijden en zijn snelheid constant te houden, want elke beweging voorin wordt achterin de trein veel sterker. 

5. Op kop fietsen is zwaar, aanpikken is nog zwaarder.
Stel dat je met 45 km/u op kop rijdt, dan ga je van kop af en zakt je snelheid naar 42 à 40. Maar om weer aan te pikken moet je terug naar 45, met je zure benen. Het is dus zaak om jezelf niet helemaal op te blazen op kop, zodat je je snelheid een beetje kan vasthouden, terwijl de rest je voorbij rijdt. Je moet ook niet te lang wachten met aanzetten, want zodra de laatste ploeggenoot voorbij is, moet je genoeg snelheid hebben om aan te kunnen pikken. De achterste ploeggenoot kan je een klein beetje helpen door zich groot te maken als je aan moet pikken.

6. Het is makkelijk om jezelf of je ploeggenoten op te blazen.
In onze ploeg zijn we niet allemaal even snel. Maar het loont om zo lang mogelijk bij elkaar te blijven. De tijd van de snelste vier telt, maar je wil niet te snel twee renners verliezen. Daarom is het belangrijk dat we onze energie goed verdelen. Dat betekent dat de sterkere renners, niet harder op kop rijden, maar wel langer op kop rijden. Zo blijft de snelheid constant. Het lastigste zijn de bochten. Bij het optrekken rij je snel de trein in stukken.

7. Afspraken zijn cruciaal, want communiceren is best lastig.
Als de snelheid te hoog is, kan je geen groepsdiscussie starten. Iemand moet de leiding nemen, maar de hele ploeg moet commando’s doorgeven, want door de wind kan elkaar niet altijd goed horen. We moeten dus commando’s afspreken voor verschillende situaties.

8. Alles wordt lastiger als je moe wordt.
Goed in het wiel rijden, een gelijkmatig tempo rijden, bij elkaar blijven na een bocht, goed communiceren. Het wordt allemaal een stuk lastiger als je al geruime tijd in het rood zit.  

9. We gaan een mooi avontuur tegemoet zaterdag!
We hebben weinig kunnen oefenen, dus het wordt één grote leerervaring zaterdag. We gaan gewoon genieten en merken wel waar we eindigen!